Het jaar 2279: Toen wij eindelijk onze schaduwen achterlieten
Wanneer ik op een heldere ochtend over de kristallen brug wandel die de wolkensteden van Europa verbindt, stel ik me soms voor hoe onvoorstelbaar dit moet zijn geweest voor onze voorouders. Niet de steden die zweven, niet de lucht vol bioluminescente fauna, niet eens de tastbare stilte van een wereld zonder geweld. Nee, het meest onbegrijpelijke voor hen zou zijn: dat wij het zonder leiders doen. Zonder oorlog. Zonder angst.
De geschiedenisles van gisteren zat nog in mijn hoofd: het Tijdperk van Hebzucht, zoals we het noemen. De 21e eeuw. Een tijdperk waarin namen als Poetin, Trump, Netanyahu en Kim Jong-un symbool stonden voor een wereld die haar eigen menselijkheid vergat. Het waren leiders die zich spiegelden in macht en ego, die geloofden dat superioriteit een recht was en niet een illusie. Hun erfenis? Oorlogen, verdeeldheid, het offeren van mensenlevens alsof het cijfers in een spreadsheet waren.
Hoe konden we dat laten gebeuren? Omdat wij gevangen zaten in een systeem dat gebouwd was op schaarste. Mensen werkten niet omdat ze wilden bijdragen, maar omdat zonder geld geen leven mogelijk was. Geld was geen middel meer, het was een keten. Alles had een prijs, zelfs waardigheid. Het idee dat arbeid een bestaansvoorwaarde was, hield ons eeuwen in slavernij, niet aan koningen of dictators, maar aan een abstract concept: economie.
En toen kwam het kantelpunt. De Grote Consensus van 2145, toen de mensheid iets deed wat altijd onmogelijk leek: collectief beslissen om zichzelf te herscheppen. Wij begrepen eindelijk dat geweld niet uit wapens komt, maar uit ons DNA. Dus herschreven we het. Vooroordelen, agressie, territoriale driften, eeuwenlang als ‘menselijk’ beschouwd, werden langzaam weg gefilterd. Wat overbleef was niet minder mens, maar méér.
Veel mensen vreesden destijds dat we daarmee onze ziel zouden verliezen. Dat empathie niet te programmeren was. Maar nu, meer dan een eeuw later, weten we: empathie bleek juist het fundament van ons bestaan. Door het loslaten van competitie als basis, konden we samenwerken zonder achterdocht.
Defensie, politie, handhaving..., allemaal verdwenen. De wapenindustrie? Een herinnering in musea, naast oude valuta en foto’s van soldaten die sneuvelden in modder. Politie-uniformen hangen daar als relieken van een tijd waarin we elkaar niet vertrouwden.
Leiderschap werd overbodig toen besluitvorming collectief, transparant en volledig rationeel werd – niet door een dictatoriaal AI-brein, maar door netwerken die iedereen omvatten. Geen stemmen, geen campagnes, geen populisme. Alleen consensus, gebaseerd op feiten en waarden die wij samen kozen.
Werk? Dat woord bestaat nog slechts in archieven. AI en autonome systemen hebben elke taak overgenomen, niet om ons te vervangen, maar om ons vrij te maken. Mensen wijden zich nu aan wat ooit luxe leek: kunst, wetenschap, muziek, verhalen. Wij leren niet meer om te concurreren, maar om te verbinden. Niemand vraagt meer: “Hoeveel verdien je?” want er is niets te verdienen. Er is alleen te delen.
En toch, wanneer ik door die archieven blader en oude beelden zie van loopgraven, demonstraties, hongersnoden en eindeloze rijen mensen die hun leven ruilden voor salaris, voel ik iets bitters. Hoe blind waren wij? Hoe vanzelfsprekend vonden we systemen die ons verdeelden? Hoeveel generaties hebben geleden omdat wij dachten dat het “nu eenmaal zo werkte”?
Misschien is dat de grootste les van allemaal: de mensheid had altijd de keuze. Het verschil is dat wij hem eindelijk durfden te maken.
Als ik een boodschap naar 2024 kon sturen, zou ik zeggen: het systeem waarin je leeft is niet de natuur, het is een keuze. En keuzes kunnen herschreven worden. Wacht niet drie eeuwen om dat te beseffen