2125, de start naar een nieuwe beschaving
We schrijven het jaar 2478. Het is bijna drieënhalve eeuw geleden dat de mensheid eindelijk begreep dat het oude pad nergens heen leidde. Duizenden jaren lang leefden mensen in een wereld van conflicten, regels, verplichtingen en angst. De geschiedenisboeken, voor zover ze nog geraadpleegd worden, lezen als een eindeloze catalogus van oorlogen, onderdrukking, machtsstrijd en systematische uitbuiting. Alles draaide om macht, geld, en het onderdrukken van de meerderheid ten gunste van een kleine elite. En waarvoor? Voor niets. Het leverde niets op behalve pijn, leed en verwoesting.
Tot het keerpunt kwam: 2125. Het jaar waarin de mensheid eindelijk zei: genoeg.
We noemen het nu De Grote Reset van de Genen. Een moment van collectieve helderheid waarin een radicale keuze werd gemaakt: de bron van onze ellende zat niet in systemen, niet in regeringen, niet in economische structuren – maar in onszelf. Woede. Agressie. Egoïsme. Hebzucht. De onverzadigbare drang naar overheersing. Het waren geen onwrikbare eigenschappen; het waren slechts codes, geschreven in DNA. En codes kun je herschrijven.
Vanaf dat moment werd elke nieuwe generatie anders geboren. Het gen voor agressie? Uitgeschakeld. Egoïsme en hebzucht? Verwijderd. De wortels van machtshonger? Uitgestorven. De mens werd opnieuw ontworpen – niet door machtige leiders, maar door een wereldwijde consensus. Het is ironisch: pas toen we de controle loslieten, kregen we echt vrijheid.
De samenleving na de transformatie
Het verdwijnen van deze driften betekende het einde van alles wat men ooit vanzelfsprekend vond. Oorlog verdween. Economieën implodeerden en dat was goed. Werk, geld, eigendom: begrippen die eeuwenlang de basis vormden van het bestaan, smolten weg als sneeuw in de zon. Geen regeringen meer om te heersen; geen systemen meer om te controleren. Alles wat nodig was om te overleven zoals voedsel, energie, huisvesting enzovoort, wordt sindsdien door AI en robots geregeld.
Het beeld van een mens die dagelijks veertig uur werkt om te mogen bestaan klinkt ons nu absurd in de oren. Alsof je een leeuw zou verplichten om belasting te betalen voor elke prooi.
De vragen van toen, die ons nu doen glimlachen
Toen de nieuwe wereld gestalte kreeg, klonk er paniek. “Maar wat doen we als we niet meer werken? Wat is het doel van het leven?” Het is bijna aandoenlijk om oude discussies daarover te lezen. De mensen van toen waren zo diep gehersenspoeld door millennia van arbeidscultus dat ze niet konden voorstellen dat leven zijn eigen doel kon zijn.
Ze geloofden dat waarde voortkwam uit productiviteit, dat identiteit gebouwd moest worden op werk. Dat was niet hun schuld; het was indoctrinatie. Eeuwenlang had de mens zichzelf wijsgemaakt dat lijden en ploeteren een voorwaarde waren voor betekenis.
Vandaag weten we beter. Het doel van het leven is het leven zelf. Niet produceren, niet accumuleren, niet domineren. Gewoon ervaren, verbinden, creëren. Vrijheid niet als ideaal, maar als realiteit.
De les van 2125
Als er iets is dat we nooit mogen vergeten, is het dit: onze beschaving begon niet met technologie, niet met rijkdom, niet met macht. Ze begon op het moment dat we besloten dat onze natuur geen excuus was, maar een keuze. 2125 was niet het einde van de mensheid zoals velen vreesden; het was het begin van de menselijkheid.
En als ik vandaag op een zonnige ochtend in mijn tuin zit, zonder zorgen, zonder angst voor oorlog of armoede, denk ik soms terug aan dat verleden. Hoe absurd het was. Hoe noodzakelijk die breuk was. En hoe dankbaar we mogen zijn dat we toen de moed hadden om niet langer te overleven, maar te beginnen met leven.